Onder een stralende zomerhemel beleefde Rotterdam Bluegrass Festival afgelopen weekend zijn veertiende editie. Van vrijdag 3 tot en met zondag 5 juli stroomde het groene Noordplein vol met zo’n 12.000 bezoekers uit Rotterdam en ver daarbuiten: buurtbewoners, nieuwsgierige voorbijgangers en muziekliefhebbers in hart en nieren. Arianne Knegt was er op vrijdag en zaterdag bij en zij maakte een verslag voor Folkforum.
-door Arianne Knegt, foto's Sebastian Timm en Arianne Knegt-
Een jaar of twintig geleden was ondergetekende een regelmatige bezoeker van het jaarlijkse Bluegrass Festival in Voorthuizen (EWOB). Ik heb daar zeker veel moois gezien, maar om nou te zeggen dat je het idee kreeg dat bluegrass ‘hip & happening’ was… Nou nee. Het festival speelde zich af in een oud buurthuis, en hoewel er muzikanten uit alle windstreken en van alle leeftijden te vinden waren (die met enthousiasme stonden te jammen in alle hoeken en gaten), bestond het publiek uit voornamelijk witte senioren, die rustig zaten te luisteren op rijen stoeltjes.
Als er nou iets is wat het Rotterdamse festival níet is, is het homogeen, rustig en bedaagd. Een van de grootste prestaties van het Rotterdam Bluegrass Festival is dat het de bluegrass (voorheen toch misschien gezien als een wat stoffig genre) tot leven brengt voor een heel divers publiek. Het gezellige en boomrijke Noordplein is voor drie dagen een heerlijke mengelmoes van mensen en culturen, jong, oud en alles ertussenin. Ouwe hippies, jonge punks, non-binaire mensen, in jaren ‘50 rockabilly- of Old Country-stijl geklede bezoekers, met kleurrijke tatoeages of coole seventies flare pants, kapsels en brillen. Vriendengroepen die er een gezellig uitje van maken en wat oudere muziekliefhebbers die een stoeltje dichtbij het podium neerzetten. Het valt op hoeveel aandacht er door de organisatie is besteed aan het creëren van een losse, ontspannen sfeer. Van de speels aangeklede podia, tot de bewegwijzering en de stijl van de festivalflyer: alles ademt een vrolijk en inclusief levensgevoel. Je zou er spontaan blij van worden. En dan moet de muziek nog beginnen.
Vrijdag loop ik het terrein op terwijl de relatief nieuwe Nederlandse band The Lonesome Malones (met op banjo Satria Karsono, op mandoline Jasper Schalks, op gitaar Steven Verrips en op contrabas Fadzli Zahari) aan hun set bezig is. Gedegen bluegrass, met mooie vocale harmonieën en een combinatie van eigen werk en een paar goedgekozen klassiekers. Het zou zo’n beetje de enige echte bluegrass-act van de dag blijken te zijn.
Wat er wat mij betreft vrijdag uitspringt zijn The Vandoliers. Zij brengen een rauwe mix van rootsstijlen als country, Tex-Mex, folk en blues, nog vermengd met wat energieke punk. Terugkerend thema is de reis die frontvrouw Jenni (Gin-ee) Rose heeft afgelegd in haar worsteling met verslaving en genderdysforie. Een reis die culmineerde in haar besluit om uit de kast te komen als transvrouw. Haar stem klinkt prettig en warm. Je merkt meteen dat ze echt iets te vertellen heeft.
Even eerder heeft Van Tastik de lachers op zijn hand met zijn energieke onemanshow, met veel humor, publieksparticipatie en luid gejoel. Ik krijg niet alles mee (er is steeds van alles te doen, zien en beleven), maar het is duidelijk dat deze Amerikaan er nogal bedreven in is het publiek mee te zuigen in zijn verhaal.
De eveneens Amerikaanse Emily Nenni brengt met haar band een set vol fijne honky-tonk country met een vleugje rockabilly. De jonge zangeres en singer-songwriter verhuisde van Colorado naar Nashville, Tennessee, om het te gaan maken als liedjesschrijver, maar kwam er al gauw achter dat ze zelf toch het beste was in het vertolken van haar eigen werk.
De vrijdag wordt afgesloten met een nogal heftige set van The Bridge City Sinners. “Alsof je favoriete deathmetalband op de bluegrass-toer gaat”, zo staat de band omschreven op de festivalwebsite. “Punk as fuck, roots as hell”. In die beschrijving kunnen we ons wel vinden. Libby Lux (zang/banjolele), Lightnin’ Luke (viool), Michael Sinner (dobro/zang), Clyde McGee (banjo/zang) en Scott Michaud (contrabas/zang) verleiden het publiek vooraan met hun mengeling van punk, metal en -vooruit- country, tot een heuse ‘moshpit’. Het ziet eruit als een zee van springende, kolkende mensen.
Zaterdag zijn we even na twaalven fris en fruitig weer paraat voor een nieuwe dag muziek. Deze bluegrass-liefhebber moet bekennen dat de festivalfilosofie van de zaterdag, bluegrass en aanverwante stijlen, me meer kan bekoren dan de wat uitdagendere en diversere programmering van de vrijdag. Maar ik kan me prima vinden in het idee ‘voor elk wat wils’, en vind juist de grote diversiteit van het publiek zo leuk.
De dag begint al goed met de Canadese Kaia Kater. Een van de opvallende folk-artiesten van dit moment, met authentieke, betoverende liedjes, zichzelf begeleidend op de banjo. Ze heeft een wat jazzy stemgeluid waarmee ze een repertoire vertolkt dat schatplichtig is aan de muziek uit de Appalachen en waarin ze de verhalen van haar vader verwerkt, die vanuit Grenada naar Canada emigreerde. Ze zingt over onderdrukte mensen door de eeuwen heen en reflecteert tegelijkertijd op haar eigen leven. Kaia Kater en haar sideman Memphis Gerald brengen feministisch en historisch engagement geïntegreerd in liedjes waarin invloeden uit het verre verleden en heden samenvloeien, in een geloofwaardige combinatie van oorspronkelijk en vernieuwend.
De verrassing van de zaterdag is wat mij betreft Jonny Fritz, die zich op Instagram ‘dadcountry’ noemt. Zijn muziek is een combinatie van jaren ’70 westcoast vibe en country, met intelligente teksten en grappige observaties. Zijn liedjes balanceren op het randje van absurditeit. Alledaagse details (ruzie over de ophaaldag van het vuilnis: “Monday is the day that the trash goes out, I can’t forget… But at Monday I'll wake up as the truck rolls by and oh my God she's gonna be so dog gone mad”) en grappige observaties (hoe je vrienden opeens een stelletje losers blijken als je stopt met drinken) zet hij om in pareltjes van songs. Er valt veel te lachen. Hij geniet zelf zichtbaar van zijn set en weet zijn publiek van begin tot eind te boeien. De geweldige Hackensaw Boys, die ’s avonds hun eigen set hebben, komen ook nog even spontaan met Jonny meedoen op het hilarische Ain’t it your birthday.
Zoals eerder vermeld is de programmering van het festival op z’n minst avontuurlijk te noemen. Niet 1 op 1 in het bluegrass-frame past bijvoorbeeld de bijdrage van de Congolese band Kin’Gongolo Kiniata. De vijf muzikanten maken experimentele Afropop, deels met instrumenten gemaakt uit afval. De nadruk ligt op de zang en percussie, met daaronder een lekker stuwende bas, en die typische tegenmelodieën van de gitaar die vaak te horen zijn in de Afrikaanse popmuziek. Op de festivalsite lees ik dat de teksten geëngageerd en soms activistisch zijn, met thema’s als dakloosheid en oorlog, en uitdrukking geven aan een verlangen naar erkenning, verandering en sociale rechtvaardigheid. Weinig mensen zullen die teksten kunnen verstaan vandaag op het Noordplein, maar dat neemt niet weg dat de band een enthousiast onthaal krijgt.
Hoewel het tijdschema dusdanig is opgesteld dat je in principe alle optredens op de twee podia zou kunnen bijwonen, moet er ook af en toe wat gegeten en gedronken worden, zijn er allerlei leuke kraampjes, en zijn er twee kleinere podia: de ‘Zwijnenstal’, een afgescheiden ruimte met een wat theaterachtig klein podium waar ook workshops worden gegeven (o.a. ‘Clogg dancing’) en spelletjes worden gedaan (ballengooien) en zich een verkleedkamer bevindt met prachtige kostuums voor kinderen. En dan is daar nog de ‘Whiskybase Jam Stage’, een soort grote open tent links van de twee hoofdpodia, waar een continue jam enthousiast gaande wordt gehouden door snarenwonder Laurens Joensen. Iedere dag treedt hier ’s middags, als de jamsessies even stilgelegd worden, ook weer een andere Nederlandse veelbelovende bluegrassband op. Op vrijdag is dit Postmodern Clarity, op zondag Th’ Penny Pinchers, en op zaterdag pikken wij een stukje mee van het Groningse gezelschap Way up North. De tent raakt voller dan vol, en dat is volledig te danken aan hun geconcentreerde en soepele samenspel, met prachtige harmonieën.
We gaan ook even kijken bij The Hot Seats, uit Virginia. “If you don’t have a good time when the Hot Seats play, check your pulse. You might be dead”, schreef recensent Chris Bopst ooit (in the Richmond Times Dispatch). The Hot Seats combineren de traditie van de Amerikaanse folk en bluegrass met een groot engagement. In hun liedjes geven zij commentaar op allerlei maatschappelijke misstanden (“Billionaires, they’re hungry all the time, billionaires, they’ll drink your blood like wine”), maar altijd gepaard met een flinke dosis humor. Tel daarbij op de volledig op elkaar ingespeelde muzikanten, en een heerlijk optreden is verzekerd. De aankondigingen van frontman en founding member Josh Bearman zijn raak en vaak hilarisch.
Het vierkoppige Canadese Horsebath (voor de gelegenheid versterkt met een toetsenman uit San Francisco en een drummer waarvan ik ook de naam niet kon achterhalen) is een van de acts waarnaar door velen vol verwachting wordt uitgekeken. De band, met meerdere leadzangers en songwriters, waaronder de twee broers Keast & Dagen Mutter, roept al gauw associaties op met The Band. Nog een overeenkomst is de frappante gelijkenis van frontman Daniel Connolly met de jonge Robbie Robbertson. De jonge muzikanten zijn duidelijk geïnspireerd door de muziek van hun beroemde landgenoten, maar hun melodieuze repertoire kent daarnaast invloeden van Gram Parsons’ ‘Cosmic American Music’ en van jaren ’70 countryrock, maar ook hoor je er old-time country en ongepolijste folk in terug. Zoals bassist Etienne Beausoleil in een interview dat ik online vond uitlegt: “We just try to follow the song and give it what it needs.” Deze band blijkt in ieder geval precies wat het festival ‘needs’: het publiek is laaiend enthousiast.
Naarmate het drukker wordt op het festivalterrein en het bier rijkelijker vloeit stijgt het volume van de gesprekken. De bezoeker die gewend is aan de sfeer van geconcentreerd luisteren, zo gebruikelijk in het Nederlandse Americana-circuit, zal even moeten schakelen. Het is waarschijnlijk de onvermijdelijke keerzijde van het breed toegankelijk willen maken van een festival voor een divers publiek. En daar staat een enorme levendigheid en gezelligheid tegenover, en een voor velen hernieuwde kennismaking met een lang als traditioneel beschouwd muziekgenre.
De Damn Tall Buildings uit New York beginnen hun set met de mededeling dat hun trein van Parijs naar Rotterdam die ochtend uitgevallen was, en dat ze op de valreep een auto hadden moeten huren. Dat bleek een BMW. Met zijn uitroep: “Did you ever see a bluegrass band driving a BMW?!” heeft guitarist en zanger Max Capistran de lachers op zijn hand. Het trio gaat met razende vaart en tomeloze energie van start. Bassiste Sasha Dubyk beschikt over stembanden van elastiek, en Avery Ballotta blijkt een virtuoze violist. Het drietal zet een bijzonder aanstekelijke set neer, met eigen werk en een enkele goed gekozen cover, en enthousiaste publieksparticipatie. De vocale harmonieën zijn ijzersterk.
The Hackensaw Boys vieren dit jaar hun twintigjarig jubileum, maar blijken allerminst ingedut. Ze hebben er duidelijk nog altijd zin in. Met soepel spel, virtuoze solo’s en geweldige samenzang veroveren deze ingespeelde rotten met gemak het publiek, van jong tot oud. Er wordt flink gedanst links van me (en trouwens ook rechts, voor en achter me). Allemaal blije gezichten om me heen, en ook op het podium. Wat een fantastisch muzikale en energieke band!
Kort na aanvang van het optreden van de all-women band Della Mae blijkt het Marokkaanse voetbalelftal op het WK gewonnen te hebben van Canada, en een oorverdovend ‘concert’ van claxons galmt door de straten van Rotterdam. Della Mae speelt gelukkig onverstoorbaar door, en hoe! Dit viertal vrouwen weet van wanten. Ze zingen allevier, en met name frontvrouw Celia Woodsmith beschikt over een gouden strot. Ook met de virtuositeit zit het wel snor. Kimber Ludiker speelt op viool de sterren van de hemel en bassiste Vickie Vaughn was maar liefst drie keer IBMA Bass Player of the Year.
Met dit laatste concert kwam een eind aan dag twee van Rotterdam Bluegrass. Helaas moest ondergetekende de zondag missen wegens een eigen optreden elders, anders had u zeker ook nog kunnen lezen over Angry Zeta, Lucky Fonz III, Hillary Klug en vele andere artiesten. En nee, het festival leek op geen enkele manier op eerdere bluegrassfestivals die ik bijwoonde. Als je rustig op een stoel wilt zitten luisteren is dit wellicht niet je festival, maar wil je je onderdompelen in de wondere wereld van de bluegrass, en een totaalbeleving ervaren van muziek, gezelligheid, saamhorigheid en diversiteit, dan zou ik zeggen: kom volgend jaar naar het Noordplein in Rotterdam voor editie 2027!
Nog een suggestie voor de organisatie: tussen de burgers, falafel, gefrituurde rijst, friet en pizza’s snakte ik na twee dagen naar iets ‘groens’, en ben ik in een supermarkt om de hoek maar een grote wortel gaan kopen. Misschien kan er volgende keer ook een foodtruck staan met fruit of salades?